Een leverancier beweert dat de gemiddelde breeksterkte van een kabel 500 kN is; je vermoedt dat die hoger is. De standaardafwijking is bekend en is 10 kN. Je neemt een steekproef van 100 kabels en toetst H₀: μ = 500 kN tegen H₁: μ > 500 kN bij α = 0,10. Boven welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een machine hoort flessen gemiddeld met 200 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 15 mL. Een steekproef van 16 flessen heeft een gemiddelde van 196,6 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 200.
Een steekproef van 100 studenten heeft een gemiddelde score van 49,28 en een steekproefstandaardafwijking van 8. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 50.
Een steekproef van 100 studenten heeft een gemiddelde score van 118,9 en een steekproefstandaardafwijking van 12. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 120.
Een eenzijdige z-toets van H₀: μ = 50 tegen H₁: μ < 50 wordt uitgevoerd bij α = 0.01 met een steekproef van 25; de standaardafwijking is bekend en is 12.5. In werkelijkheid is het gemiddelde 43.5. Bereken het onderscheidend vermogen 1 − β van de toets in procenten.
Een steekproef van 81 metingen heeft gemiddelde 49,5. De standaardafwijking van de populatie is 5. Bereken de bovengrens U van het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Antwoordenblad
- 1. x̄c = 501,3 kN
- 2. z = −0,9067
- 3. t = −0,9
- 4. t = −0,9167
- 5. 1 − β = 60,8 %
- 6. U = 50,93
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.