Een machine is ingesteld om pakken te vullen met een gemiddelde van 50 g; je vermoedt dat hij te weinig vult. De standaardafwijking is bekend en is 5 g. Je weegt een steekproef van 16 pakken en toetst H₀: μ = 50 tegen H₁: μ < 50 bij α = 0.01. Onder welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een leverancier beweert dat de gemiddelde breeksterkte van een kabel 75 kN is; je vermoedt dat die hoger is. De standaardafwijking is bekend en is 12 kN. Je neemt een steekproef van 25 kabels en toetst H₀: μ = 75 kN tegen H₁: μ > 75 kN bij α = 0,05. Boven welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
Een steekproef van 64 studenten heeft een gemiddelde score van 105,3 en een steekproefstandaardafwijking van 20. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 100.
6 werknemers doen een typetest voor en na een training. Voor elke persoon wordt het verschil d = na − voor (woorden per minuut) genoteerd. Het gemiddelde verschil is 4,69 en de standaardafwijking van de verschillen is 11,5. Bereken de toetsingsgrootheid t van de gepaarde toets voor H₀: μd = 0.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 2 heeft? De standaardafwijking is 4. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Een steekproef van 25 metingen heeft gemiddelde 49,7. De standaardafwijking van de populatie is 4. Bereken de bovengrens U van het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Antwoordenblad
- 1. x̄c = 47,09 g
- 2. x̄c = 78,95 kN
- 3. t = 2,12
- 4. t = 0,999
- 5. n = 16
- 6. U = 51,76
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.