Een machine hoort flessen gemiddeld met 50 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 4 mL. Een steekproef van 100 flessen heeft een gemiddelde van 49,12 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 50.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een machine hoort flessen gemiddeld met 200 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 12 mL. Een steekproef van 64 flessen heeft een gemiddelde van 197,3 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 200.
Twee productielijnen maken hetzelfde onderdeel. Lijn 1: een steekproef van 60 onderdelen heeft een gemiddelde lengte van 82 mm, en de bekende standaardafwijking van de lijn is 3 mm. Lijn 2: een steekproef van 100 onderdelen heeft gemiddelde 80,5 mm, bekende standaardafwijking 4 mm. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ₁ = μ₂, met als verschil x̄₁ − x̄₂ (lijn 1 min lijn 2).
Een steekproef van 16 studenten heeft een gemiddelde score van 508,7 en een steekproefstandaardafwijking van 12. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 500.
Een steekproef van 36 metingen heeft gemiddelde 200,1. De standaardafwijking van de populatie is 4. Bereken de bovengrens U van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Een steekproef van 16 metingen heeft gemiddelde 97,7. De standaardafwijking van de populatie is 4. Bereken de ondergrens L van het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Antwoordenblad
- 1. z = −2,2
- 2. z = −1,8
- 3. z = 2,694
- 4. t = 2,9
- 5. U = 201,4
- 6. L = 96,06
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.