Een machine hoort flessen gemiddeld met 75 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 20 mL. Een steekproef van 25 flessen heeft een gemiddelde van 83,4 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 75.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een machine hoort flessen gemiddeld met 500 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 20 mL. Een steekproef van 36 flessen heeft een gemiddelde van 507 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 500.
Twee productielijnen maken hetzelfde onderdeel. Lijn 1: een steekproef van 40 onderdelen heeft een gemiddelde lengte van 133,5 mm, en de bekende standaardafwijking van de lijn is 3 mm. Lijn 2: een steekproef van 60 onderdelen heeft gemiddelde 125,1 mm, bekende standaardafwijking 20 mm. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ₁ = μ₂, met als verschil x̄₁ − x̄₂ (lijn 1 min lijn 2).
Een steekproef van 25 studenten heeft een gemiddelde score van 502,7 en een steekproefstandaardafwijking van 8. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 500.
Een steekproef van 100 metingen heeft gemiddelde 51,9. De standaardafwijking van de populatie is 8. Bereken de ondergrens L van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Een eenzijdige z-toets van H₀: μ = 50 tegen H₁: μ < 50 wordt uitgevoerd bij α = 0.01 met een steekproef van 100; de standaardafwijking is bekend en is 25. In werkelijkheid is het gemiddelde 42.75. Bereken het onderscheidend vermogen 1 − β van de toets in procenten.
Antwoordenblad
- 1. z = 2,1
- 2. z = 2,1
- 3. z = 3,2
- 4. t = 1,687
- 5. L = 50,33
- 6. 1 − β = 71,7 %
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.