Een machine hoort flessen gemiddeld met 200 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 5 mL. Een steekproef van 36 flessen heeft een gemiddelde van 198,2 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 200.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een z-toets van H₀: μ = μ₀ tegen H₁: μ > μ₀ geeft de toetsingsgrootheid z = 1,41. Bereken de p-waarde p.
Twee productielijnen maken hetzelfde onderdeel. Lijn 1: een steekproef van 50 onderdelen heeft een gemiddelde lengte van 47,5 mm, en de bekende standaardafwijking van de lijn is 18 mm. Lijn 2: een steekproef van 100 onderdelen heeft gemiddelde 40,7 mm, bekende standaardafwijking 12 mm. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ₁ = μ₂, met als verschil x̄₁ − x̄₂ (lijn 1 min lijn 2).
Van een populatie wordt beweerd dat het gemiddelde 100 is; de standaardafwijking van de populatie is bekend en is 10. Een aselecte steekproef van 100 waarnemingen heeft een gemiddelde van 98,46. Toets H₀: μ = 100 tegen H₁: μ < 100. Bereken de p-waarde p.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 1,5 heeft? De standaardafwijking is 12. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Een steekproef van 64 metingen heeft gemiddelde 48,2. De standaardafwijking van de populatie is 5. Bereken de bovengrens U van het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Antwoordenblad
- 1. z = −2,16
- 2. p = 0,07927
- 3. z = 2,416
- 4. p = 0,06178
- 5. n = 246
- 6. U = 49,81
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.