Een machine hoort flessen gemiddeld met 75 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 8 mL. Een steekproef van 36 flessen heeft een gemiddelde van 77,8 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 75.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een leverancier beweert dat de gemiddelde breeksterkte van een kabel 75 kN is; je vermoedt dat die hoger is. De standaardafwijking is bekend en is 4 kN. Je neemt een steekproef van 36 kabels en toetst H₀: μ = 75 kN tegen H₁: μ > 75 kN bij α = 0,01. Boven welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
Van een populatie wordt beweerd dat het gemiddelde 80 is; de standaardafwijking van de populatie is bekend en is 24. Een aselecte steekproef van 144 waarnemingen heeft een gemiddelde van 76,88. Toets H₀: μ = 80 tegen H₁: μ < 80. Bereken de p-waarde p.
10 werknemers doen een typetest voor en na een training. Voor elke persoon wordt het verschil d = na − voor (woorden per minuut) genoteerd. Het gemiddelde verschil is −3,64 en de standaardafwijking van de verschillen is 4,8. Bereken de toetsingsgrootheid t van de gepaarde toets voor H₀: μd = 0.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 1,5 heeft? De standaardafwijking is 4. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Een eenzijdige z-toets bij α = 0,05 moet een verschuiving van het gemiddelde van 3 eenheden ontdekken met een onderscheidend vermogen van 90 %. De standaardafwijking is 21. Bereken de minimale steekproefomvang n.
Antwoordenblad
- 1. z = 2,1
- 2. x̄c = 76,55 kN
- 3. p = 0,05938
- 4. t = −2,398
- 5. n = 28
- 6. n = 420
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.