Een machine hoort flessen gemiddeld met 200 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 20 mL. Een steekproef van 36 flessen heeft een gemiddelde van 204 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 200.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een machine is ingesteld om pakken te vullen met een gemiddelde van 120 g; je vermoedt dat hij te weinig vult. De standaardafwijking is bekend en is 10 g. Je weegt een steekproef van 16 pakken en toetst H₀: μ = 120 tegen H₁: μ < 120 bij α = 0.10. Onder welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
Een steekproef van 100 studenten heeft een gemiddelde score van 97,8 en een steekproefstandaardafwijking van 10. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 100.
Een steekproef van 16 studenten heeft een gemiddelde score van 46,4 en een steekproefstandaardafwijking van 8. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 50.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 3 heeft? De standaardafwijking is 20. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 3 heeft? De standaardafwijking is 10. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Antwoordenblad
- 1. z = 1,2
- 2. x̄c = 116,8 g
- 3. t = −2,2
- 4. t = −1,8
- 5. n = 295
- 6. n = 31
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.