Een machine hoort flessen gemiddeld met 100 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 8 mL. Een steekproef van 100 flessen heeft een gemiddelde van 98,88 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 100.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een machine hoort flessen gemiddeld met 50 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 15 mL. Een steekproef van 16 flessen heeft een gemiddelde van 46,63 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 50.
Van een populatie wordt beweerd dat het gemiddelde 250 is; de standaardafwijking van de populatie is bekend en is 2,5. Een aselecte steekproef van 25 waarnemingen heeft een gemiddelde van 249,04. Toets H₀: μ = 250 tegen H₁: μ ≠ 250. Bereken de p-waarde p.
Een steekproef van 81 studenten heeft een gemiddelde score van 203,9 en een steekproefstandaardafwijking van 12. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 200.
Een steekproef van 49 metingen heeft gemiddelde 75,9. De standaardafwijking van de populatie is 12. Bereken de bovengrens U van het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 3 heeft? De standaardafwijking is 10. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Antwoordenblad
- 1. z = −1,4
- 2. z = −0,8987
- 3. p = 0,05486
- 4. t = 2,925
- 5. U = 78,72
- 6. n = 74
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.