Als de prijs van een product met 5 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 6 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 1 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −2. Als de kaartjesprijs met 10 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €2,50, verandert de weekafzet van 100 naar 180. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €10,00 naar €4,00, verandert de weekafzet van 500 naar 740. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 2000 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −0,5?
De vraag naar een product is Q = 200 − 10P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. E = −1,2
- 2. Q = 1200 kaartjes
- 3. E = −0,8571
- 4. E = −0,4516
- 5. P = 13,33 €
- 6. P = 10 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.