Als de prijs van een product met 25 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 20 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 400 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 4 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Van een product worden 1 000 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Het bedrijf verandert de prijs met −15%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €6,00, verandert de weekafzet van 100 naar 160. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 2500 − 25P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €60.
De vraag naar een product is Q = 160 − 8P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. E = −0,8
- 2. Q = 408 kaartjes
- 3. ΔR = 2531 €
- 4. E = −0,6923
- 5. E = −1,5
- 6. P = 10 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.