Een bioscoop verkoopt 500 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,4. Als de kaartjesprijs met 15 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Als de prijs van een product met 4 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 1,6 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Van een product worden 4 000 stuks per maand verkocht voor €25. De prijselasticiteit van de vraag is −0,3. Het bedrijf verandert de prijs met −20%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €16,00, verandert de weekafzet van 400 naar 320. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 150 − 5P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €9.
De vraag naar een product is Q = 1600 − 20P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −3?
Antwoordenblad
- 1. Q = 470 kaartjes
- 2. E = −0,4
- 3. ΔR = −15200 €
- 4. E = −0,7778
- 5. E = −0,4286
- 6. P = 60 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.