Als de prijs van een product met 25 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 15 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 500 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 15 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €7,50, verandert de weekafzet van 1200 naar 960. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €15,00 naar €13,00, verandert de weekafzet van 800 naar 890. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 1000 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −2, dus Q = A·P^−2. Bij een prijs van €25 worden 8 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €30,00?
Antwoordenblad
- 1. E = −0,6
- 2. Q = 462,5 kaartjes
- 3. E = −0,5556
- 4. E = −0,7456
- 5. P = 20 €
- 6. Q = 5556 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.