Een bioscoop verkoopt 500 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 12 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Als de prijs van een product met 5 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 3 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Als de prijs van een kaartje verandert van €20,00 naar €18,00, verandert de weekafzet van 100 naar 120. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €40,00 naar €50,00, verandert de weekafzet van 1000 naar 600. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −0,5, dus Q = A·P^−0,5. Bij een prijs van €25 worden 2 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €35,00?
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −1,2, dus Q = A·P^−1,2. Bij een prijs van €8 worden 5 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €4,00?
Antwoordenblad
- 1. Q = 470 kaartjes
- 2. E = −0,6
- 3. E = −1,727
- 4. E = −2,25
- 5. Q = 1690 stuks
- 6. Q = 11487 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.