De rekenkundige rij 2, −2, −6, −10, … eindigt met de term −150. Hoeveel termen n heeft hij?
Werkblad Rijen & reeksen met antwoorden
1.Makkelijk
a₁ = 2d = −4aₙ = −150
n =
2.Makkelijk
De meetkundige rij aₙ = 3·0,5ⁿ⁻¹ daalt. Bepaal de eerste index n waarvoor aₙ < 0,05.
a₁ = 3r = 0,5ε = 0,05
n =
3.Gemiddeld
Bepaal de convergentiestraal R van de machtreeks Σk=1∞ k²·2ᵏ·(x − 3)ᵏ.
Σ k²·2ᵏ·(x − 3)ᵏx₀ = 3
R =
4.Gemiddeld
Bepaal de convergentiestraal R van de machtreeks Σk=1∞ 2ᵏ·(x + 1)ᵏ/(k + 1).
Σ 2ᵏ·(x + 1)ᵏ/(k + 1)x₀ = −1
R =
5.Moeilijk
Bepaal de coëfficiënt c₃ van (x − 2)³ in de Taylorreeks van f(x) = ln x rond a = 2.
f(x) = ln xa = 2k = 3
c₃ =
6.Moeilijk
Gebruik het Maclaurinpolynoom van graad 3 van f(x) = 1/(1 + x) om f(0,4) te benaderen. Geef P₃(0,4).
f(x) = 1/(1 + x)n = 3x = 0,4
P₃(0.4) =
Antwoordenblad
- 1. n = 39
- 2. n = 7
- 3. R = 0,5
- 4. R = 0,5
- 5. c₃ = 0,04167
- 6. P₃(0.4) = 0,696
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.