Bepaal de y-component ûy van de eenheidsvector û die wijst in de richting van a = (−2, 1, 4).
Werkblad Vectoren: inwendig en uitwendig product met antwoorden
1.Makkelijk
a = (−2, 1, 4)
ûy =
2.Makkelijk
Bepaal de grootte |a| van de vector a = (4, 7, 0).
a = (4, 7, 0)
|a| =
3.Gemiddeld
Bepaal het inwendig product a·b van a = (−7, −5, 0) en b = (−7, −5, 3).
a = (−7, −5, 0)b = (−7, −5, 3)
a·b =
4.Gemiddeld
Bepaal de waarde van k waarvoor de vectoren a = (1, −1, −4) en b = (−3, k, −1) loodrecht op elkaar staan.
a = (1, −1, −4)b = (−3, k, −1)
k =
5.Moeilijk
Een kracht F = (−10, −50, 0) N werkt in punt A(4, 1, −4). Coördinaten zijn in meter. Bepaal de z-component Mz van het moment van de kracht om punt O(−1, −3, 3).
F = (−10, −50, 0) NA(4, 1, −4) mO(−1, −3, 3) m
Mz = N·m
6.Moeilijk
Een kracht F = (40, −40, 30) N werkt in punt A(1, 2, 4). Coördinaten zijn in meter. Bepaal de grootte |M| van het moment van de kracht om de oorsprong O(0, 0, 0).
F = (40, −40, 30) NA(1, 2, 4) mO(0, 0, 0) m
|M| = N·m
Antwoordenblad
- 1. ûy = 0,2182
- 2. |a| = 8,062
- 3. a·b = 74
- 4. k = 1
- 5. Mz = −210 N·m
- 6. |M| = 282,3 N·m
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.