Bepaal de grootte |a| van de vector a = (−10, 10).
Werkblad Vectoren: inwendig en uitwendig product met antwoorden
1.Makkelijk
a = (−10, 10)
|a| =
2.Makkelijk
Twee krachten werken in een punt in het xy-vlak: F₁ = 300 N onder 170° en F₂ = 110 N onder 10°, beide linksom gemeten vanaf de positieve x-as. Bepaal de richting φ van hun resultante, linksom gemeten vanaf de positieve x-as (tussen 0° en 360°).
F1 = 300 N, θ1 = 170°F2 = 110 N, θ2 = 10°
φ = °
3.Gemiddeld
Bepaal de waarde van k waarvoor de vectoren a = (1, −2, −2) en b = (6, k, −3) loodrecht op elkaar staan.
a = (1, −2, −2)b = (6, k, −3)
k =
4.Gemiddeld
Bepaal het inwendig product a·b van a = (7, 1, −4) en b = (1, 7, 1).
a = (7, 1, −4)b = (1, 7, 1)
a·b =
5.Moeilijk
Bepaal het volume V van het parallellepipedum waarvan de ribben vanuit één hoekpunt a = (−4, 0, −3), b = (1, −2, −3) en c = (3, 4, 3) zijn.
a = (−4, 0, −3)b = (1, −2, −3)c = (3, 4, 3)
V =
6.Moeilijk
Bepaal voor a = (6, 3, −2) en b = (−4, −3, 3) de z-component (a × b)z van het uitwendig product a × b.
a = (6, 3, −2)b = (−4, −3, 3)
(a × b)z =
Antwoordenblad
- 1. |a| = 14,14
- 2. φ = 159,2 °
- 3. k = 6
- 4. a·b = 10
- 5. V = 54
- 6. (a × b)z = −6
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.