Precies één rij van de waarheidstabel maakt ¬(p ∨ q) → q onwaar. Klik op die rij.
- 1p = 1, q = 1
- 2p = 1, q = 0
- 3p = 0, q = 1
- 4p = 0, q = 0
Hints tonen
- a → b is alleen 0 als a = 1 en b = 0. ¬a draait de waarde om. a ∨ b is alleen 0 als beide 0 zijn.
- Bepaal eerst het hoofdvoegwoord: wat moeten de twee kanten zijn om de hele formule 0 te maken?
- Geef elk deel een eigen kolom: p ∨ q; ¬(p ∨ q); ¬(p ∨ q) → q.
Toon het antwoord en de uitleg
Waarheidstabellen: een formule met n verschillende variabelen heeft 2ⁿ rijen, één voor elke combinatie van waarheidswaarden (1 = waar, 0 = onwaar). Werk van binnen naar buiten en geef elke deelformule een eigen kolom. ¬a draait de waarde om; a ∧ b is alleen 1 als beide 1 zijn; a ∨ b is alleen 0 als beide 0 zijn; a → b is alleen 0 als a = 1 en b = 0; a ↔ b is 1 als beide kanten gelijk zijn.